In Nederland werken bijna 1,2 miljoen mensen als Zzp’er, waarvan ongeveer 200.000 in de zorgsector. De Wet DBA (Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties, 2016) bepaalt of een Zzp’er echt als zelfstandige werkt of dat er sprake is van schijnzelfstandigheid (verkapt dienstverband). Volgens de Wet DBA zijn opdrachtgever en opdrachtnemer samen verantwoordelijk voor de arbeidsrelatie. Je werkt als echte zelfstandige als er geen gezagsverhouding is, je van een leidinggevende geen instructies krijgt zoals een werknemer wel, je eigen risico’s draagt en je voor meerdere opdrachtgevers kunt werken. Hoewel niet verplicht, helpt een ‘modelovereenkomst’ van de Belastingdienst om afspraken te verduidelijken (hier + hier).
Sinds 1 januari 2025 wordt, na de opheffing van het jarenlange ‘handhavingsmoratorium’ voor opdrachtgevers, weer door de Belastingdienst gehandhaafd op schijnzelfstandigheid. Dat blijft zo en heeft consequenties voor werkvloer en arbeidsrelatie (NRC, 27 februari 2025). Want als blijkt dat er sprake is van ‘schijnzelfstandigheid’ kunnen beide partijen, soms met terugwerkende kracht, te maken krijgen met (fiscale) naheffingen, met risico’s voor het arbeids- en pensioenrecht, soms met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025.
Strengere handhaving pakt wel het symptoom van schijnzelfstandigheid aan, maar niet de achterliggende oorzaak van achterstand bij betaling en weinig inspraak/autonomie op werk, bv. wat betreft invulling van arbeidsuren.
De onrust op de werkvloer is dan ook van beide kanten groot.
Bij inmiddels gevoerde rechtszaken over de status van de overeenkomst bleek zelfstandigheid tijdens het uitvoeren van het werk leidend. Zelfs wanneer werkzaamheden waren ingebed in de organisatie, leidt dit dus ook in de zorg niet automatisch tot een verplichte arbeidsovereenkomst (relevante gerechtelijke uitspraken: hier + hier + hier + hier + hier).
In deze blog wordt ingegaan op aanpak van de politiek, met focus op de sector huisartsenzorg.
Politieke interventie: wetsvoorstel Vbar (1)
De onduidelijkheid/onzekerheid over arbeidsrelaties is bij de politiek bekend. Het heeft als onderdeel van het totale ZZP-plan in 2023 via de SZW-minister eerst geleid tot het wetsvoorstel ‘Verduidelijking beoordeling arbeidsrelatie en rechtsvermoeden (Vbar)’. Deze Vbar had als primair doel om de beoordeling van een arbeidsrelatie tussen een opdrachtgever en opdrachtnemer te verduidelijken. Met als uitkomst dat ingebed werk automatisch een dienstverband zou moeten zijn. Omdat deze Vbar de beoogde duidelijkheid over de arbeidsrelatie niet kon bieden, hervatte de Belastingdienst op 1 januari 2025 de handhaving op schijnzelfstandigheid. Met kans op genoemde correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen bij opdrachtgevers en met intrekken van de zelfstandigenaftrek bij de Zzp’er. Met de Vbar konden laagbetaalde Zzp’ers makkelijker hun rechtspositie opeisen (peildatum 1 januari 2026: uurtarief 38 euro), maar het wetsvoorstel legde te veel nadruk op de arbeidsovereenkomst in plaats van op het aspect van zelfstandigheid.
Het huidige kabinet schrapt dit jaar (Rijksoverheid, 6 maart 2026) een deel van de Vbar/ZZP-wetgeving die al sinds 7 juli 2025 in de Tweede Kamer lag (hier/hier/hier/hier). Wat nu wordt geschrapt is het eerste Vbar-deel, het verduidelijkingsdeel, dat nieuwe criteria bevatte om te bepalen of iemand werknemer of zelfstandige is. Dit deel is ingetrokken. Het tweede deel, het rechtsvermoeden-deel (ook wel het ‘R-deel’), is niet ingetrokken en geldt onverminderd. Concreet (hier) betekent de intrekking in maart 2026: de aanvullende verduidelijkingscriteria uit de Wet Vbar komen er niet. De handhaving door de Belastingdienst, die sinds 1 januari 2025 is hervat, gaat ook gewoon door. Voor schijnzelfstandigheid en de DBA-handhaving verandert er op dit punt niets.
Het huidige wettelijk kader van het Burgerlijk Wetboek (BW) en eerdere jurisprudentie zoals de Deliveroo-uitspraak, blijft nu de norm (hier/VVAA, versie 10 april 2026). In dit Deliveroo-arrest oordeelde de Hoge Raad (HR, 24 maart 2023) dat bij de holistische toets onder meer de genoemde 9 feiten en omstandigheden (gezichtspunten) van belang kunnen zijn.
Politieke interventie: Wetsvoorstel Zelfstandigenwet (2)
Totdat nieuwe wetgeving is aangenomen geldt dus nu het huidige wettelijk kader: DBA + BW + Deliveroo-arrest (VVAA, 3 februari 2026).
Vanuit de Tweede Kamer werd in voorjaar 2025 een alternatief initiatiefwetsvoorstel van 78 pagina’s ingediend: de Zelfstandigenwet. Dit is door het huidige kabinet in het coalitieakkoord opgenomen (coalitieakkoord 2026-2030, 30 januari 2026) als de te volgen route als het gaat om duidelijkheid over de grens loondienst/zelfstandigheid. Het verduidelijkingsdeel van de Vba’r’, dat helderheid moest geven over de grens tussen loondienst en zelfstandigheid, vervalt zoals vermeld en daarvoor in de plaats komt de Zelfstandigenwet. Twee van de indieners in de Tweede Kamer destijds zijn nu huidige ministers: van Werk en Participatie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De Zelfstandigenwet zit nu nog in de ontwerpfase zit (Kamerbrief, 6 maart 2026), met niet de arbeidsovereenkomst als doorslaggevend item (Vbar), maar straks als eerste toets het ondernemerschap binnen de zelfstandigentoets (over extern ondernemerschap en meerdere opdrachtgevers). Daarna volgen als nieuwe wetsonderdelen de werkrelatietoets (zelfstandige werktijden, werkorganisatie van werk en hiërarchische controle), het sectoraal rechtsvermoeden (maatwerk per sector) en de commissie beoordeling toetsingskader (die geanonimiseerde maar bindende uitspraken doet waar anderen zich op kunnen beroepen).
In een VVAA-plaatje ziet dat er als volgt uit…
Interview Erik van Dam, Infographic VVAA (Medisch Ondernemen, 2 april 2026)
Hoe dit politiek en juridisch in 2026 of erna wordt uitgewerkt is onbekend (bron + bron + bron + bron + bron). In elk geval valt door mij over de wet geen kwaliteitsbeoordeling te geven. 525 anderen reageerden wel (hier). Het advies van de senior-adviseur Kennismanagement bij VVAA/Erik van Dam is (citaat): “Mijn boodschap zou zijn: ga er niet vanuit dat de komende maanden die Zelfstandigenwet erdoor komt. Kijk de komende tijd dus goed hoe je met elkaar samenwerkt.”
Wel legt de Zelfstandigenwet meer verantwoordelijkheid bij de Zzp’er zelf: pensioen en arbeidsongeschiktheid zijn zaken die de zelfstandige zelf moet regelen. Daarvoor ligt een wetsvoorstel klaar waarin wordt geregeld dat ondernemers zich verplicht moeten verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid. Dat kan bij een commerciële verzekeraar of via de basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (BAZ), die moet worden uitgevoerd door uitvoeringsorganisatie UWV (een wetsvoorstel).
Voor nu…
Voor beleid nu meldt recent (hier + Kamerbrief, 9 april 2026) de huidige minister van Werk en Participatie…
Actie 1: Wetsvoorstel Vbar moet Wet Rechtsvermoeden worden, waarbij dat Rechtsvermoeden-deel (‘r’) zo snel mogelijk door het parlement moet worden aangenomen.
Actie 2: Communicatiecampagne start: Zo kan zzp wél, waarbij de minister de bewustwording in de markt wil vergroten door te benadrukken wanneer er géén sprake is van een werknemer en er dus wél met (en als) zelfstandige(n) kan worden gewerkt.
Actie 3: Verbetering van de huidige webmodule, waarbij bedrijven en Zzp’ers de opdracht beter zelf kunnen beoordelen. Het aspect van zelfstandig ondernemerschap zou nu nog binnen de module onvoldoende worden meegenomen in de beoordeling.
Beschouwing huisartsenzorg
Alle bovengenoemde aspecten spelen ook een rol bij arbeidsrelaties binnen de sector huisartsenzorg. Voor praktijkhouders is er de schrik van een naheffingsaanslag van loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet met een terugwerkende kracht van 5 jaar, maximaal met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025, omdat daarvoor het handhavingsmoratorium nog gold.
Op 19 december 2025 is bekendgemaakt dat de Belastingdienst ook in 2026 geen verzuimboetes zal opleggen in het kader van schijnzelfstandigheid (hier). De ‘zachte landing’ wordt daarmee deels verlengd. Nieuw is dat de Belastingdienst per 1 januari 2026 wél vergrijpboetes kan opleggen bij opzet of grove schuld (hier). De Belastingdienst meldt verder in 2026 bedrijfsbezoeken af te leggen om werkgevers aan te spreken in plaats van te focussen op boekenonderzoeken. Rechtsonzekerheid dus!
Al jarenlang pleiten bestuurlijke huisartsvertegenwoordigers voor behoud van een flexibele schil van ZZP-huisartsen voor inzet van zorg met de formule “voor ziek, piek, uniek en ANW”. Citaat: “waarnemers zijn de onmisbare smeerolie in onze machine. Zonder hen loopt het raderwerk vast en komt de continuïteit van zorg in gevaar.”
Deze zelfde kernboodschap is de laatste jaren meermalen terug te lezen: (LHV, december 2024) + (LHV, mei 2025) + (LHV, december 2025) + (LHV, januari 2026) + (LHV, februari 2026) + (LHV, NHG, InEen, UNH, maart 2026). Kernelementen, dus ook de kernboodschap van de flexibele schil, uit de laatste brief, is te zien in deze afbeelding…
“Anders gezegd en achteromkijkend: de 4 kostenonderzoeken deze eeuw onder de vlag van de Zorgverzekeringswet, uitgevoerd onder leiding van de toezichthouder, hebben door een verkeerde niet toekomstgerichte systematiek, desastreus uitgepakt“
Huisartsen proberen via vijf actielijnen duidelijkheid te krijgen over inzet van ZZP-huisartsen voor de noodzakelijke flexibele schil (politiek, de vergewistool, zoektocht naar alternatief voor de dagpraktijk, ZZP-behoud op de huisartsenpost en juridische hulp). Met daarbij de oproep aan de overheid tot risicogericht handhaven, met juist een focus op probleemgevallen zoals gedwongen zelfstandigheid, onderbetaling, evidente schijnzelfstandigheid en arbeidsmigratie-constructies.
Ondertussen lijkt het ZZP-debat ook de kern van problemen in huisartsenzorg (negatief) te beïnvloeden.
Opmerking (1)
Wat is nu precies de noodzakelijke omvang in aantal ZZP-huisartsen binnen deze flexibele schil? Het NIVEL (hier/hier) stelt dat het aantal huisartsen in Nederland dat in loondienst of als vaste waarnemer verbonden is aan een praktijk toeneemt. Het aantal dat praktijkhouder is, daalt echter licht. Daarnaast zien we dat de groei van het aandeel groepspraktijken in 2023-2024 verder doorzet. Huisartsen die alleen als wisselend waarnemer werkzaam zijn, schat het NIVEL op zo’n 2.200. Is dat dan de gewenste omvang van de flexibele schil?
Het aandeel zelfstandig gevestigde huisartsen (praktijkhouders) daalt elk jaar licht en komt uit op 7561 in 2023.
Binnen het 8-stappenplan komen visie, missie en inhoud (dus toekomstgerichtheid, kerntaken, kernwaarden, standaarden/basispakket) in volgorde vóór de stap van de organisatie. Alle financiële aspecten komen juist ná de stap van de organisatie, maar de eerste vier niet-financiële aspecten zullen (toch?) gelden voor alle huisartsen, buiten en binnen de flexibele schil (zie óók het betoog van deze huisartsbestuurder: Zorgvisie, 31maart 2026).
Het motto “iedereen een huisarts” terwijl juist vele burgers geen huisarts hebben en/of niet kunnen wisselen (hier/hier/hier) is oplosbaar met meer praktijkhouders en kleinere praktijken of anders georganiseerde praktijken, inclusief loondiensthuisartsen als praktijkeigenaar (hier/hier/blog). Elke constructie kan overigens in een uitvoeringsplan, zonder moreel oordeel, worden georganiseerd en uitgewerkt, voorwaarde blijft (wel) “het leveren van integrale zorg zoals huisartsen plegen te bieden” (Zorgverzekeringswet, hfst.3.1, Artikel 10a).
Opmerking (2)
Naast een flexibele schil van ZZP-huisartsen is een stabielere kern van praktijkhouders noodzakelijk. Daling van het aandeel zelfstandig gevestigde huisartsen (praktijkhouders) binnen de beroepsgroep, is onwenselijk en past niet bij het doel van “iedereen-een-huisarts.” Daar waar een aantal huisartspraktijken door een scala aan oorzaken nu het etiket “praktijk vol” (moeten) afgeven.
Dat de vertegenwoordigers van beroepsgroep op 3 fundamentele punten (praktijkkosten, beloning en arbeidsuren) beroep moesten aantekenen tegen de door de Zorgautoriteit afgegeven tariefbeschikkingen huisartsenzorg over de jaren 2023 tot en met 2025, zegt m.i. voldoende. Dit beroep, dd. 18 november 2025, werd gevoerd bij de hoogste bestuursrechter én werd gewonnen (hier/hier + blog/blog/blog/blog/blog). De toezichthouder moet voor 18 mei 2026 met een aanpassing komen.
De berekeningen van Stichting De Bevlogen Huisartsen (DBH) zijn daarbij duidelijk. Daar waar in werkelijkheid het inschrijftarief (basis) en het reguliere consulttarief voor 2025 door de NZa zijn vastgesteld op respectievelijk €20,35 per kwartaal en €12,43 per consult, berekende DBH dat dit in 2025 respectievelijk €23,38 en €16,81 had moeten zijn (bron: DBH Beroepsschrift tariefbeschikkingen NZa, pg.2, 115 en 116, 11 april 2025). Je hoeft geen wiskundige te zijn om met deze tariefverschillen uit te rekenen hoe groot de achterstand is bij 18 miljoen inwoners die samen in 2025 ruim 111 miljoen keer de huisartspraktijk consulteerden voor basiszorg. Anders gezegd en achteromkijkend: de 4 kostenonderzoeken deze eeuw onder de vlag van de Zorgverzekeringswet, uitgevoerd onder leiding van de toezichthouder, hebben door een verkeerde niet toekomstgerichte systematiek, desastreus uitgepakt.
Arbeidsrelaties (netwerken als werkwoord in wijken, werken met op professie gebaseerde autonomie en te leren adequate competenties) gedijen beter binnen een gezonde onderneming. Met praktijken waarin ook waarde wordt gehecht aan goed werkgeverschap en veilige arbeidstijden. Koester de praktijkhoudend huisarts dan ook.
Opmerking (3)
De oproep voor behoud van een flexibele schil van ZZP-huisartsen bereikt inmiddels ook de huisartsenspoedzorg op huisartsposten (hier). Op deze huisartsenspoedposten wordt ca 50 procent van de diensten ingevuld door ZZP-huisartsen (hier). En wordt (blijkbaar) door de Belastingdienst overwogen dat hierbij sprake kan zijn van schijnzelfstandigheid, hetgeen in strijd kan zijn met de wet DBA. Tenminste, dit maak ik op uit het volgende citaat (Zorgvisie, 8 december 2025 + Zorgvisie, 30 maart 2026)…
|
“InEen en de LHV gaan ervan uit dat de Belastingdienst waarnemers die werken bij een huisartsenpraktijk of een huisartsenspoedpost (HAP) zien als schijnzelfstandigen. De brancheverenigingen overwegen naar de rechter te gaan.” —————————————————+—————————————————————– “Wat als het antwoord van de fiscus niet positief is? “Dat hangt af van de onderbouwing van een dergelijk besluit”, laat InEen weten. “Mocht er, met een aantal aanpassingen, wél ruimte zijn voor een alternatief model dan is dat iets dat we samen met onze leden zullen verkennen en toetsen. Mocht die ruimte er helemaal niet zijn, dan zullen we ons samen met LHV, ZN en VWS beraden op andere vervolgstappen.” Eerder merkte de LHV op dat de mogelijkheid voor een rechtszaak wordt verkend. InEen laat weten hier nu niet aan te werken. “We bevinden ons in een constructief proces met VWS, ZN en de LHV en zetten erop in om via deze route te komen tot een passende oplossing.” Maar InEen geeft ook aan: “Mocht één van de leden van InEen geconfronteerd worden met boetes of naheffingen na een controle door de Belastingdienst, dan ontstaat er uiteraard een andere situatie en zullen we onze positie opnieuw bepalen.” |
Huisartsvertegenwoordigers melden te moeten gaan kiezen voor een veilige constructie (loondienst op de huisartsenpost of een coöperatiemodel). Bij dit coöperatiemodel sluiten praktijkhouders en waarnemers zich aan bij regionale coöperaties die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het leveren van ANW-diensten.
Wat is hier nu aan de hand?
Gelukkig zijn er huisartsen die de BTW-euro en de gewone euro in dit dossier goed in de gaten hebben en er óók publiekelijk melding van maken (Medisch Contact, 7 april 2026). Het werk op de huisartsenpost is voor alle huisartsen hetzelfde, de overheid keurt vooraf elke HDS-begroting en werkende huisartsen hebben op de spoedpost sinds een paar jaar ook hetzelfde (opgelegde) tarief. Er is binnen de huisartsenpost geen gezagsrelatie. Wordt het werk van spoedzorg buiten kantoortijd op deze post getoetst aan de ‘9-Deliveroo-elementen’ ter beoordeling van de arbeidsrelatie dan is er maar een conclusie: DBA-safe, de huisarts op de post werkt en beslist zelfstandig.
Ja máár…, wordt dan gemeld in hetzelfde artikel (citaat)…
|
…Praktijkhoudende huisartsen hebben namelijk contractueel de verantwoordelijkheid voor de diensten op de HAP. Sinds een aantal jaar worden die in de praktijk gedeeld tussen waarnemers en praktijkhoudende huisartsen. “Als de waarnemers wegvallen en de verantwoordelijkheid weer meer bij de praktijkhouders terechtkomt, moeten, wanneer er gaten in het rooster vallen, de praktijkhouders dit oplossen en zijn ze overdag minder beschikbaar voor hun eigen patiënten in de praktijk. Dat schuurt en zet de continuïteit van de 24/7 huisartsenzorg als geheel onder druk.” |
Deze stellingname kan niet onopgemerkt voorbijgaan. Ik postte onder het artikel de volgende reactie…
|
Reactie AM: ‘Het kernprobleem wordt hier wel genoemd, maar niet aangepakt. Alle aandacht gaat naar het afgeleide probleem. Citaat: “Praktijkhoudende huisartsen hebben namelijk contractueel de verantwoordelijkheid voor de diensten op de HAP”. Pak dat eerst aan. Ofwel: Juiste aanpak in de juiste volgorde.’ |
Toelichting: Even terug in de tijd. Begin deze eeuw werd de financiering van de dagzorg en de te starten ANW-zorg via huisartsenposten volledig 100% van elkaar gescheiden. Tarieven moesten verplicht ontvlecht worden in een dag- en een ANW-component. Huisartsen hebben daar zelf budget voor ingeleverd en zagen hun wens voor huisartsenposten voor spoedzorg buiten kantoortijd daarmee in vervulling gaan. Met dus een heldere en gescheiden financiering van dan ANW-zorg.
Toen kwam in 2006 de Zorgverzekeringswet en ongeveer vanaf die tijd was, zonder enig overleg met de beroepsgroep, in de tariefbeschikkingen en beleidsregels van de NZa, tot en met het heden (2026), de volgende tekst te lezen bij het mogen declareren van een inschrijftarief…
|
“De prestatie inschrijving beschrijft de beschikbaarheid van het integrale pakket aan huisartsgeneeskundige zorg, 24 uur per dag en 7 dagen per week, voor de bij de zorgaanbieder op naam ingeschreven verzekerden. Het tarief bij de prestatie inschrijving is een vergoeding voor de kosten van beschikbaarheid, waaronder die van de avond, nacht en weekend (anw)-diensten, en een deel van de kosten van zorglevering.” |
Ineens werd het overeengekomen inschrijftarief ook gebruikt (misbruikt?) voor de ANW-zorg. Was de VHN (Vereniging Huisartsenposten Nederland), voorloper van InEen, destijds wel op de hoogte? Wat was hun standpunt?
De Vereniging van praktijkhoudende huisartsen (VPH) protesteerde nog wel, ook bij de bestuursrechter (CBb-uitspraak, 2018), maar zonder succes. Een en ander is uitgebreid beschreven in eerdere blogs (blog, februari 2018 + een/twee (punt 2.5) + blog, juni 2018).
Mijn standpunt, inmiddels als buitenstaander: als “24/7 toegankelijk voor spoed” een kernwaarde is voor huisartsenzorg, lijkt het mij logisch dat alle geregistreerde huisartsen in dezelfde mate bijdragen aan spoedzorg op de huisartsenpost. Het past niet als voor hetzelfde werk en organisatie wel hetzelfde opgelegde tarief geldt, maar er wel aan een (opgelegde) asymmetrische verantwoordelijkheidsdeling wordt meegewerkt en vastgehouden. Als alle huisartsen in dezelfde mate wél verantwoordelijk zijn, zijn de ruim 12.000 geregistreerde huisartsen voor werk op hun huisartsenposten ook in dezelfde mate (schijn)zelfstandig.
Tot slot
De Nederlandse wetten zijn nog steeds niet duidelijk hoe een werkrelatie met een zelfstandige moet worden gekwalificeerd. Gevoerde rechtszaken laten zien dat de rechter nu toetst op concrete feiten per individuele werkrelatie (hier).
Of de Zelfstandigenwet dit gaat verbeteren? Ja, zegt het kabinet en de optimistische minister van Werk en Participatie.
Ik zeg: eerst zien, dan geloven. Hoop is geen valide strategie.
NB:
Plaatje 1: (onder blogtitel) afkomstig van VWS
Plaatje 2: VVAA
Plaatje 3: eigen docentmateriaal (AI/brief LHV)
Eerdere blogs over arbeidsrelaties, praktijkhouderschap, ZZP en DBA
01.02.2018: Gelijke honorering ANW-zorg voor alle huisartsen (gelijke monniken, gelijke kappen)
14.06.2018: Ongelukkige uitspraak rechtbank bij conflict rond borgen ANW-huisartsenzorg
18.11.2019: Na wet DBA komt een nieuwe wet voor zzp’ers: het uitgangspunt (1)
20.11.2019: Na wet DBA komt een nieuwe wet voor zzp’ers: de consequenties (2)
22.11.2019: Na wet DBA komt een nieuwe wet voor zzp’ers: belang voor huisartsenzorg (3)
17.04.2020: Het wel en wee van de waarnemend huisarts (1) (tijdpad carrière, DBA, kwetsbaar COVID-tijd)
20.04.2020: Het wel en wee van de waarnemend huisarts (2) (het vrije uurtarief beschouwd)
05.11.2020: Bij huisartsenzorg blijkt eigenaarschap praktijk van secundair belang (1) (Quin ACM NZa)
18.11.2020: Herziening arbeidsrelatie praktijkhouder en waarnemend huisarts (over wet DBA)
11.01.2021: Disbalans vraag en aanbod huisartsenzorg: de aanpak (1) (tekort fte huisarts)
13.01.2021: Disbalans vraag en aanbod huisartsenzorg: de aanpak nader beschouwd (2)
15.01.2021: Disbalans vraag en aanbod huisartsenzorg: zorgplicht onder toezicht (3) (NZa)
02.02.2021: De kunst: een mooi rapportcijfer krijgen, maar ook behouden (PFN-enquete:8,2)
07.09.2021: Bij huisartsenzorg (b)lijkt eigenaarschap van secundair belang (2) (fout: van primair belang)
08.10.2021: Het hebben van een vaste huisarts leidt tot betere zorguitkomsten (3 indicatoren)
01.04.2022: Disbalans vraag en aanbod huisartsenzorg: aanpak integraal akkoord (4) (Rutte IV)
30.05.2022: Huisartsenzorg: via de Mededingingswet naar een toekomstige DAEB (HS-artikel)
25.08.2022: Bij budgetdiscussie huisartsenzorg worden 2 kernpunten gemeden (1) (belang/inkoop)
30.08.2022: Bij budgetdiscussie huisartsenzorg worden 2 kernpunten gemeden (2) (ZV-insteek)
19.10.2022: Een andere blik op voorkomen, verplaatsen en vervangen van zorg (substitutie/IZA)
04.11.2022: Politiek aan zet: vaste zorgrelatie geeft werkplezier en betere zorg (aanpak G-Br.)
08.05.2023: Behoud van kernwaarde continuïteit als baken van vooruitgang (commercie/ketens-contract)
08.06.2023: Zorgkloof huisartsenzorg niet oplosbaar met aanpassing opleidingscapaciteit
11.09.2023: Zet in IZA primaire zorg centraal, niet het schaalniveau van organiseren (regio))
06.11.2023: Ook bij nieuwe ZZP-wet blijft schijnzelfstandigheid een risico (nieuw = inbedding)
27.02.2024: Kanttekeningen bij visie eerstelijnszorg 2030 (historie, regio, GR, AMW, gemeente)
10.09.2024: Nieuws over beoordeling arbeidsrelaties raakt ook huisartsenzorg (Vbar/Handhaving)