Kortingen op de nominale premie voor verzekerden met een collectiviteitskorting worden betaald door de overige individueel verzekerden. Deze harde conclusie wordt getrokken in het zojuist verschenen rapport “Monitor polisaanbod 2020” (Equalis, 15 juni 2020). Want er is geen legitimatie op basis van zorginhoudelijke afspraken waarom een groep verzekerden, verzameld in een collectiviteit, recht zouden hebben op een premiekorting. De maximaal toegestane wettelijke korting bij een collectiviteit is 5%. Maar de kosten van deze toegestane premiereductie voor 63% van de verzekerden wordt betaald door de 37% van de verzekerden die niet behoren tot een collectiviteit.

 Kerncijfers over collectiviteiten (Bron: Monitor polisaanbod 2020)

·      Het percentage verzekerden dat zich via een collectiviteit verzekert is de afgelopen jaren afgenomen van 67 in 2016 naar 63 in 2020

·      In de periode 2016-2020 is het aantal collectiviteiten afgenomen van 64.000 tot 47.000. Het blijkt hier vooral te gaan om een afname van kleine collectiviteiten die zijn samengevoegd tot een grote en het beëindigen van gelegenheidscollectiviteiten.

·      Hierdoor is het gemiddelde aantal verzekerden per collectiviteit gegroeid van 177 naar 232 deelnemers. De gemiddelde omvang van collectiviteiten blijft hiermee zeer klein.

·      91 procent van de collectiviteiten minder dan 250 verzekerden

·      De meeste collectiviteiten worden via de werkgever afgesloten. Deze collectiviteiten zijn met gemiddeld 139 verzekerden relatief klein

·      In 2020 biedt de helft van de collectiviteiten de maximale premiekorting voor de basisverzekering van 5 procent. De gemiddelde korting gewogen naar het aantal collectiviteiten is 4,0 procent

·      De gemiddelde korting is het hoogste voor werkgevers (4,1 procent) en studenten (4,0 procent) en het laagste voor patiëntenverenigingen (2,1 procent) en gemeenten (2,8 procent)

·      Onderzoek: bij 89% van de collectiviteiten zijn aanvullende (zorg)inhoudelijke afspraken gemaakt. In de andere gevallen (11%) waren er alleen afspraken gemaakt over de korting.

·      Geen van de collectiviteiten heeft echter aangetoond dat de collectiviteitskorting wordt terugverdiend op de kosten van de Zorgverzekeringswet

·      Bij slechts 18 procent van de collectiviteiten van grote zorgverzekeraars is aannemelijk gemaakt dat sprake is van een besparing; de hoogte van de besparing is echter niet bekend

·      Het rapport concludeert dat kruissubsidiëring tussen individueel en collectief verzekerden met dezelfde polis niet uit te sluiten is. Oftewel: verzekerden zonder collectiviteit of degenen met een relatief lage collectiviteitskorting betalen de hoge collectiviteitskortingen van andere verzekerden

Sterft de collectiviteit een langzame dood?

De minister van VWS was al eerder ontevreden over de manier waarop collectiviteiten functioneerden. Want in 2018 bleek ook al dat de korting voor een collectiviteit niet werd behaald door een inkoopvoordeel maar door een opslag vooraf op de oorspronkelijke premie. De minister sprak in juni 2018, dus nu precies twee jaar geleden, over “een sigaar uit eigen doos”. In plaats van de collectiviteitskorting dan maar af te schaffen, verlaagde de minister destijds de maximaal toegestane korting van 10% naar 5%. Daarover schreef ik precies twee jaar geleden reeds een blog:

29.06.2018: Leiden stelselperikelen ook tot stelselwijzigingen? (eigen risico, info-plicht, polissen)

Verkiezingsjaar

In een Kamerbrief laat nu de huidige minister weten dat de nieuwe minister deze zomer 2020 met een reactie zal komen. Zal deze nieuwe minister in het verkiezingsjaar de moed hebben om de enig juiste beslissing te nemen, namelijk het afschaffen van de collectiviteitskorting? Ons zorgstelsel kent enerzijds private marktelementen en anderzijds sociale waarborgen. Het onderhouden van collectiviteiten is zo’n marktelement. Is de toekomstvisie bij het zorgstelsel dat er méér sociale waarborgen moeten komen met minder markt, dan kan er binnen een stelsel gebaseerd op solidariteit en met de beschreven onderzoeksuitkomst (Equalis) maar één vervolgstap zijn: een verbod op een collectiviteit.