Eind maart verscheen de Voorjaarsnota 2026 (Voorjaarsnota, 27 maart 2026, hfst. zorg, pg.203 t/m 222) van de minister van Financiën van kabinet Jetten (Coalitieakkoord 2026-2030, 30 januari 2026). Deze voorjaarsnota is eigenlijk de Startnota van het nieuwe kabinet, zijnde de vertaling van de financiële afspraken uit het coalitieakkoord ten behoeve van alle departementen. Het Voorjaarsnotadebat vindt 22 april in de Tweede Kamer plaats.
In de Voorjaarsnota nú zijn de eerste door het nieuwe kabinet genomen aanpassingen (meevallers, tegenvallers, intensiveringen, ombuigingen, overboekingen, kasschuiven, kadercorrecties, loon- en prijsbijstellingen) zichtbaar. De Rijksbegroting VWS 2026 was nog opgesteld door het oude kabinet (Rijksbegroting VWS 2026, 16 september 2025). In deze laatste Rijksbegroting was ook het plaatje onder de blogtitel zichtbaar: de gemiddelde lasten per volwassene aan collectief gefinancierde zorg zijn in 2026 begroot op 7.680 euro.
De financiële afspraken uit met name het coalitieakkoord “Aan de slag” over de zorg waren eerder in 2026 al onderwerp van een blog.
26.01.2026: Budgetproblemen Zorgverzekeringswet: rekenen in plaats van mopperen (kost/baat)
09.02.2026: 12 knoppen bij Zorgverzekeringswet: politieke keuzes achter miljarden bezuiniging
16.02.2026: De zorgafhankelijke burger verdient meer dan systeemdruk (Wlz/Modelovk/MGZ)
02.03.2026: Navigeren VWS tussen begrotingsdruk en maatschappelijke opdracht (Jetten/15 items)
In deze blog een poging tot duiding hoe de situatie binnen de stelselwetten, met de verschenen Voorjaarsnota, nu is.
(1). Zorgverzekeringswet
De helft van de ruim 69 miljard euro bruto kosten wordt in 2026 opgebracht door de inkomensafhankelijk bijdrage (IAB), zijnde nu 6,1% van het gemaximeerde bijdrage-inkomen van €79.409,- Zelfstandigen en gepensioneerden betalen dit rechtstreeks aan de Belastingdienst, bij werknemers loopt de betaling via werkgevers. Het IAB-deel dat werkgevers betalen beïnvloedt de beschikbare loonruimte.
De overige 50% wordt betaald door de nominale premie (40,6%), de Rijksbijdrage kinderen (4,9%) en de eigen betalingen, waaronder het verplichte eigen risico (4,9%).
*Zorgtoeslag
De gemiddeld uitbetaalde zorgtoeslag bedraagt per gemiddelde volwassen burger €488,20 per jaar als compensatie voor de nominale premie en het te betalen eigen risico. Dit komt alleen ten goede aan de laagste inkomens en middeninkomens. De achterliggende gedachte is dat geen enkel huishouden een groter deel van het inkomen aan zorgpremie en eigen risico hoeft te betalen dan wat op grond van de wet als aanvaardbaar wordt beschouwd.
In een plaatje ziet dat er zo uit…
Omdat de gemiddelde burger niet bestaat is het een heel rekenwerk, naast het feit dat toekenningen voorlopig zijn en soms moeten worden terugbetaald. Het aantal ontvangers van zorgtoeslag kan in een jaar daardoor hoger of lager uitvallen.
Bij de vooraf geraamde standaardpremie van €2.143,- (NB: dat werd minder) is de verwachte maximale zorgtoeslag in 2026 voor alleenstaanden €1.574,- en voor paren €3.010,-. De dienst Toeslagen keert in opdracht van het ministerie van VWS de zorgtoeslag uit aan alle huishoudens die de toeslag aanvragen en daar recht op hebben. De raming voor de uitgaven aan zorgtoeslag in 2026 is ongeveer €7,7 miljard. De raming van de ontvangsten vanwege terugvordering in 2026 betreft ongeveer €0,6 miljard. De uitgaven lopen vervolgens jaarlijks op vanwege de verwachte stijgende zorgpremie en in de toekomst ook het eigen risico.
Zoals in bovenstaand plaatje zichtbaar gaat het bij het toekennen van zorgtoeslag om 5-6 miljoen huishoudens. Zorgtoeslag heeft impact: veel personen, groot budget! De zorgtoeslag dempt weliswaar de individuele uitgaven aan zorg, maar vormt ook een kostenpost voor de gemiddelde burger omdat de uitgaven betaald worden uit de belastingopbrengsten.
Per 2028 worden de vermogensgrenzen in de zorgtoeslag voor alleenstaanden en twee persoonshuishoudens gelijkgesteld aan het heffingsvrij vermogen in box 3 (hier) voor deze beide groepen. Dit leidt tot een forse besparing op het uitgavenkader (nr.45, pg.212).
*Verplicht Eigen Risico (VER)
Het VER wordt per 2027 verhoogd en geïndexeerd en zal naar verwachting dan uitkomen op 460 euro. Per 2028 wordt de VER ‘getrancheerd’ op maximaal 150 euro per behandeling in de medisch-specialiste zorg. Aan de saldokant wordt vanwege het ‘remgeldeffect’ dalende zorgkosten verwacht (pg.218). Het effect op zorg mijden en zorguitstel is niet gekapitaliseerd. Sowieso is aanpak van het verplicht eigen risico een politieke keuze, juist omdat in theorie ook aan 11 andere knoppen van de Zorgverzekeringswet gedraaid had kunnen worden (blog/blog).
*Overige maatregelen
Bijstellingen in de Zorgverzekeringswet resulteren uiteindelijk in een kostenbesparing van 599 miljoen euro in 2026 ten opzichte van de begroting (zie pg.215/216). Te noemen onderdelen: wijkverpleging, huisartsenzorg, opleidingsgelden, apotheekzorg en multidisciplinaire zorg. De eigen bijdrage voor wijkverpleging gaat per 2029 in, de implementatiekosten ervan starten (wel) al in 2027 (blog/blog/blog). Zinvol? (Zie slotkader in deze blog).
Ook per 2029 wordt de verplichte vergoeding van niet gecontracteerde zorg afgeschaft. Daarmee zou 150 miljoen euro worden bespaard. Hoe deze dubieuze maatregel zich verhoudt tot het kosteneffect van de consequenties, van de wettelijke resultaatverplichting van zorginkoop binnen deze juridische ‘schadeverzekering’, is eerder beschreven (blog).
In de komende vier jaar (2027 tot en met 2030) wordt in het coalitieakkoord, over de hele zorg, een structurele ‘minder meer’ korting (blog) berekend van 9.741 miljoen euro (budgettaire tabel coalitieakkoord, kolom structureel, items 29 tot en met 49, 30 januari 2026). Kortingen al wel zichtbaar, mogelijk (nog) niet voelbaar.
(2). Wet langdurige zorg (Wlz)
De startsituatie van verwachte Wlz-kosten in 2026 bedraagt bruto 42,1 miljard euro (pg.183/184). De Wlz is een volksverzekering, hetgeen betekent dat voor iedereen die 24-uurs zorg of intensief toezicht nodig heeft de zorg geregeld is. Niet gebaseerd op het vergoeden van materiële schade, maar op het leveren van zorg in natura of via een budget (hier/hier).
Een ‘volksverzekering’ betekent ook dat iedereen, hier via de belasting, meebetaalt, nu in 2026, afhankelijk van inkomen over werk en woning, 9,65% over maximaal 38.883 euro (hier). Daarnaast betaalt de Wlz-cliënt zelf een eigen door het CAK bepaalde bijdrage (hier). Afhankelijk van inkomen én vermogen is deze eigen bijdrage nu nul euro tot maximaal 3.061,80 euro per maand. De hoogste eigen bijdrage hoort bij een intramuraal verblijf in een instelling. NB: de Wlz-cliënt betaalt ook een nominale premie voor de Zorgverzekeringswet en heeft wettelijk recht op cliëntondersteuning.
Als wordt gerekend met 385.000 burgers (blog, item 10) die, verdeeld over drie groepssectoren, nu zorg krijgen uit de Wlz, dan zijn de gemiddeld verwachte bruto kosten in 2026 ongeveer 109.350 euro per cliënt.
*Kabinetsbeleid
In het coalitieakkoord is afgesproken dat er een bestuurlijk akkoord wordt afgesloten met alle drie sectoren uit de Wlz (V&V, gehandicaptenzorg en GGZ). Dit leidt uiteindelijk tot een structurele besparing oplopend tot 990 miljoen euro (Budgettaire bijlage, items 42/43, pg.6 van 9 + Voorjaarsnota 2026, item 42, pg.214 + 219).
Of een korting er ook doorkomt, moet nog blijken, nu bijvoorbeeld recent de Tweede Kamer een motie aannam tégen de bezuinigingen op de groepssector gehandicaptenzorg (hier/hier). Een stemming die eindigde met 75 stemmen vóór en 74 stemmen tegen (hier)…
Zorginhoudelijk zijn er drie actuele onderwerpen:
- Wie gaat 24/7 de medische zorg verlenen wanneer Wlz-cliënten nog niet in een verpleeghuis (kunnen?) verblijven (blog/blog/blog/blog)?
- Blijven ouderen met nu een Wlz-indicatie, dus 24/7 zorgafhankelijk, in de Wlz? Of wordt hun zorg ‘overgeplaatst’ naar de Zorgverzekeringswet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (hier/hier)?
- In generieke zin: waar ligt de grens van extramuralisering bij 24/7-afhankelijke zorg?
(3). Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
Deze derde zorgstelselwet is een voorzieningenwet met in het aanbod voorwaardelijke algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Motto in het keukentafelgesprek: “iedereen het zijne, maar niet iedereen hetzelfde.”
De situatie nu is voor de burger nog het aloude abonnementstarief 2026 van 21,80 euro per maand. In 2025 is het besluit genomen een inkomens- en vermogensafhankelijke (IVB) eigen bijdrage voor de Wmo in te voeren (hier/hier), met als hoogte minimaal 23,60 euro per maand en maximaal 328 euro per maand. Invoering van deze IVB schuift door van 1 januari 2027 naar 1 januari 2028, waardoor er voor het kabinet in 2027 een eenmalig ‘besparingsverlies’ optreedt van 266 miljoen euro (pg.204/207).
Mensen die dat kunnen, gaan voortaan zelf betalen voor hun huishoudelijke hulp. Huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening binnen de Wmo 2015 wordt geschrapt met ingang van 1 januari 2029. Voor de mensen die niet zelf hulp kunnen regelen, blijft de gemeente daarin voorzien, waarbij geldt dat de beoogde besparing taakstellend is. Voor de Rijksbegroting levert dat een besparing op van 435 miljoen euro per jaar (pg.204/219+ Budgettaire bijlage, item 44, pg.6 van 9).
In oktober/november 2025 werd een eindrapport gepresenteerd over “de houdbaarheid van de Wmo 2015 in een geïndividualiseerde en vergrijzende samenleving.” Met in de hoofdlijn de aanbeveling “Tijd voor stevige keuzes”.
De samenvatting van het rapport (eindrapport, 31 oktober 2025) eindigt met…
|
Citaat: “Het beeld van veel tekortkomingen vraagt wel om de nodige nuancering. Veel mensen zijn tevreden over de kwaliteit van ondersteuning in het kader van de Wmo 2015. De wet lijkt op veel onderdelen ook heel goed te werken, maar wordt door sommigen anders ervaren. Zo ervaren mensen met een levenslange of levensbrede beperking relatief vaak tekortkomingen in hun ondersteuning. Het uitgevoerde onderzoek laat zien dat gemeenten over het algemeen veel werk steken in het faciliteren van de sociale basis. De literatuur laat ook zien dat een gezonde sociale basis met een hoge mate van samenredzaamheid ook de zelfredzaamheid van de individuele burger vergroot en de behoefte aan (formele) ondersteuning verkleint. Het risico bestaat echter dat een toenemend beroep op maatwerk- voorzieningen deze facilitering van de sociale basis laat eroderen. Heldere doelen en goede data ontbreken te vaak om op landelijke en lokale schaal de effectiviteit van het gevoerde beleid te kunnen beoordelen. Veel uitvoeringsactiviteiten in het zorgdomein worden door gemeenten ingekocht. Mede vanwege de versnippering in het aanbod is ook hier het zicht op de kwaliteit van de uitvoering vaak onvolledig.” |
Aanpassing met betrekking tot de huishoudelijke hulp (blog) zal de komende jaren bij de Wmo, vanwege de kans op dat “eroderen van de sociale basis”, waarschijnlijk niet de enige interventie zijn. Want zo meldt de staatssecretaris in de begeleidende Kamerbrief destijds (Kamerbrief, 26 november 2025): “Als deze keuzes niet worden gemaakt komt de beschikbaarheid en toegankelijkheid van maatschappelijke ondersteuning steeds meer onder druk te staan en kunnen gemeenten in de nabije toekomst onvoldoende zorg dragen voor de ondersteuning van (de meest) kwetsbare mensen in de samenleving (einde citaat).”
(4). Jeugdwet (jeugdzorg)
Vanuit toekomstvisie over volksgezondheid van onze jeugd is het onbegrijpelijk dat niet op landelijk niveau besluiten en verantwoordelijkheid voor uitvoering worden genomen. Maar nee, het jeugdzorgbeleid (Jeugdwet) als een der fundamenten van de volksgezondheid moest met stoom en kokend water in 2015 naar decentraal, naar de gemeenten, met postcodebeleid als uitkomst.
Eerst in 2025 en later nog dit jaar is het jeugdzorgbeleid op deze weblog uitgebreid aan de orde geweest:
13.01.2025: Hoe voorkomt het kabinet bij jeugdzorgbeleid herhaling van zetten? (deskund.cie.)
03.02.2025: Beleid jeugdzorg betiteld als “sturen in de mist…” (cie.v Ark op HAJ, 5-hoek + €€€)
17.04.2025: Volgende stap: grondige renovatie Jeugdwet (interdepartementaal/integraal)
20.02.2026: Meer zorg, minder overzicht…, maar integrale jeugdzorg begint… dichterbij (1)
23.02.2026: Meer zorg, minder overzicht…, maar integrale jeugdzorg begint… dichterbij (2)
De 342 (hier) gemeenten in Nederland zijn voor gemiddeld 70% van hun inkomsten afhankelijk van het rijk. Het vorige kabinet had een nieuwe financieringssystematiek voor het gemeentefonds aangekondigd en vooruitlopend daarop een korting doorgevoerd vanaf 2026. Die nieuwe systematiek is er nooit echt gekomen, maar de korting bleef wel staan. Dat zou betekenen dat gemeenten vanaf 2026 minder geld zouden krijgen (hier/hier/hier) waarna als publicitair oormerk voor 2026 het woord “ravijnjaar” postvatte.
Het blijft vreemd voelen dat de ene partij beslist over de financiering en een andere partij de wettelijke plicht heeft specifieke zorgtaken uit te voeren, ook als ze daar onvoldoende geld voor krijgen. Het startpunt van elke onderhandeling is het fundament dat verantwoordelijkheid pas kan worden genomen bij inspraak in randvoorwaarden. Dat deze beide partijen hier, centraal en decentraal, samen “onze” overheid vormen, maakt de splitsing nog kolderieker, feitelijk triester.
In april 2025 kwam er t/m 2027 cumulatief €3 miljard extra beschikbaar voor gemeenten. Onder andere om de jeugdzorguitgaven te dekken, maar generiek om de terugval in het gemeentefonds vanaf 2026 deels te dempen (hier/hier). Daarmee is het financieringsprobleem niet verdwenen. De werkelijke uitdaging verschuift nu naar 2028, wanneer de tijdelijke buffers opraken en structurele bezuinigingen dreigen terug te keren. Het nieuwe ravijnjaar wordt nu (dus) 2028. Voor 2028 wordt voor jeugdzorg de kosten geschat op 10,4 miljard euro, gemeenten verwachten voor dat jaar dan 3,2 miljard tekort te komen. In een plaatje (bron: VNG, 25 november 2025)…
De overheid vindt de kosten van de jeugdzorg te hoog, feitelijk vindt de overheid dat er te veel jeugdzorggebruikers zijn (1 op de 7). De gemeenten blijven niettemin hameren op het fundamentele probleem van de onbalans tussen taken en middelen (hier). Waarbij gemeenten in 2015 naast de jeugdzorg ook de uitvoering kregen toebedeeld van de Wmo en de Participatiewet.
Gemeenten staan voor moeilijke keuzes: voorzieningen schrappen? Voorzieningen versoberen? Minder groenonderhoud? Minder onderhoud schoolgebouwen? Minder woningbouw? Minder preventie? Minder handhavingscapaciteit? Etc. Tsja, wel kunnen gemeenten lokale belastingen verhogen om de afhankelijkheid van het gemeentefonds te verkleinen. De aan de hogere WOZ-waarde gekoppelde OZB-belasting is voor burgers bij hogere huizenprijzen dan ook bijna jaarlijks aan de beurt (hier/hier).
Positief nieuws is er voor jeugd te melden gezien de investeringen in onderwijs (bijlage item23), voor gezinnen bij aanpak van armoede (toch?) en schulden (bijlage, item 50) en een pleegzorgvergoeding voor pleegouders (nota, pg.204/210).
Waar de Voorjaarsnota niet over schrijft, zijn noodzakelijke zorgverbeteringen. Eerder was mijn pleidooi te kiezen voor uniformiteit wat betreft de (re)organisatie en financiering van de 38 jeugdgezondheidszorgorganisaties, in samenwerking met 342 gemeenten, met 25 GGD-regio’s en met 41 jeugdzorgregio’s. Maak van de huidige lappendeken een samenhangend uniform geheel. Daarnaast kunnen de “stevige lokale teams” alleen succesvol zijn met de juiste personele invulling van verschillende beroepen en hun professionals. Op niveau van lokale teams is expertise via multidisciplinaire diversiteit noodzakelijk, zodat tijdig de juiste hulp gegeven kan worden.
(5). Preventie, soms Wet publieke gezondheid
Voor medische preventie wordt 35 miljoen euro structureel gereserveerd (hier). Om de vaccinatiegraad te verhogen wordt geïnvesteerd in uitbreiding van de wijkgerichte aanpak vaccinatie (Budgettabel, item32, pg.5 van 9). In het kader van AZWA wordt 28 miljoen euro voor deze medische preventie overgeheveld vanuit de Zorgverzekeringswet (Nota, pg.220).
In de Voorjaarsnota is verder te lezen dat in 2027 voor Covid-vaccinatie 143 miljoen euro wordt gereserveerd (Nota, pg.203/207).
Om het huidige programma van de pandemische paraatheid voort te zetten wordt er alsnog (blog) structureel 160 miljoen euro beschikbaar gesteld (Nota, pg.203/206/217). Hiermee wordt een eerdere bezuiniging van kabinet Schoof gedeeltelijk teruggedraaid. Onderdeel van het programma pandemische paraatheid is een investering van 122 miljoen euro in onder andere versterking van GGD ’en plus voortzetting van RIVM-programma’s.
Een van deze onderzoeken van het RIVM betreft in 2026 de zoektocht naar een volwaardig afwegingskader voor het investeringsmodel voor preventie (hier). Het afwegingskader bestaat uit drie bouwstenen:
- De omschrijving van het gezondheidsprobleem, de maatregel en het huidige preventieve beleid.
- De brede maatschappelijke kosten en baten. De elementen die hieronder vallen zijn: maatschappelijke kosten en baten, gezondheidswinst, budgettaire impact rijksoverheid, verdeling gezondheidswinst, verdeling van kosten en baten, arbeidsinzet en overige effecten. Dit wordt de belangrijkste bouwsteen.
- De elementen: ethische aspecten, uitvoerbaarheid, juridische aspecten en draagvlak.
Eerder concludeerde de “Adviescommissie richtlijn passend bewijs preventie” dat er ongeacht de maatregel en de context sprake moet zijn van overtuigend bewijs van de effectiviteit van een maatregel in de doelgroep waarop de maatregel zich richt (hier + Kamerbrief/rapport, 15 oktober 2025).
Tot slot, er is geen bewijs dat het paradigma van preventie bij de overheid in goede handen is. Citaat uit blog…”vanwege het karige preventiebudget (hier), maar vooral door niet transparante lobbycircuits met producenten en supermarkten (CBL, Superunie, FNLI). Bij uitstek is de industrie, die voedingsmiddelen met 6% suiker en/of ultra bewerkt voedsel als uitkomst produceert en reguleert, een voorbeeld van de lobby.”
Maar ook bij het beleid bij de twee andere preventieve ‘reuzen’ uit ooit het Nationaal Preventieakkoord (2018), rond roken en alcohol, zijn vraagtekens te zetten. Preventiebeleid werd vooral bekeken vanuit gezondheidseffect en zorgbudget. Minder vanuit welzijn, arbeid, bestaanszekerheid, maatschappelijke baten en ontstane schade (‘betutteling’) door toegestane marketing/lobby. De zoektocht (hier) gaat voort…
25.11.2024: Overheid, ga (nu eens) aan de slag met thema gezondheid/overgewicht! (Voeding)
02.12.2024: Kiezen voor gezonde toekomst (VTV-2024) 5W1H (RIVM-rapport/preventiebeleid)
11.12.2024: Gezondheidsbescherming jeugd tegen nicotineschade: nu of nooit (TK/Nicotinee)
03.01.2025: Gezonder voedselaanbod vraagt om acties bij meerdere ministeries (4 lijnen/HiAP)
28.04.2025: Zoektocht naar (weer) een preventiestrategie duurt voort (AZWA/kabinet/5 ingrediënten)
20.05.2025: Wat de overheid méér kan doen tegen vapen door jongeren (Actieplan VWS + extra’s)
24.11.2025: De noodzaak van beleidswijziging bij aanpak ongezonde producten (kosten/baat)
10.12.2025: De verborgen vapemarkt op Snapchat: jongeren betalen de prijs (toename/school)
19.01.2026: Kiezen of niet kiezen: de prijs van alcohol (minder alcohol, minder kanker keuze beleid)
09.03.2026: Strijd tegen obesitas begint en eindigt niet met een suikertaks (invoering per 2030)
Tot slot
Bij het lezen van de Voorjaarsnota valt op dat ‘saldoverbeteringen’ vanuit begrotingsperspectief, uitgedrukt in euro’s, niet parallel lopen met verbeterde waarden van het zorgaanbod, noch kwalitatief, noch kwantitatief. Het is een rapport over zorgeuro’s.
Het zou al helpen als duidelijk werd gemaakt wat de impact is van ingelaste kortingen op de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg. Draagt het bij aan niet schaden? Dragen ingelaste investeringen in de zorg daadwerkelijk bij aan verbeteringen? Misschien kun je deze afweging niet verwachten van een ministerie van Financiën en gaat het ook voorbij aan het doel van een Voorjaarsnota.
Dat is nog een extra reden om bij een interdepartementaal rapport aan te sturen op enerzijds interdepartementaal beleid bij volksgezondheid en anderzijds op onderbouwde reacties op de aangepaste kabinetsvoorstellen. Zowel door zorgaanbieders op de werkvloer als door belanghebbende zorgvragers/burgers in het land.
Wordt vervolgd: op weg naar de Rijksbegroting VWS 2027, te presenteren op 15 september 2026 (‘Prinsjesdag’).
Plaatje 1: (onder de blogtitel) uit Rijksbegroting VWS 2026
Plaatje 2: idem
Plaatje 3: van de VNG
Dierbare lezer, fijne Paasdagen!