Selecteer een pagina

 

Precies een jaar geleden stierf mijn goede huisartsenvriend Hans Nobel. Als eerbetoon aan hem nog een maal zijn opinie, geschreven in 2010 en 2011, waarin hij de belevenissen van een bekende dorpsbakker beschrijft.

De winkeltjes van bakker Bruin en de andere leden van het bakkersgilde

Opinie, 27 september 2010

Bakker Bruin had een winkeltje in een dorpje aan de Maas. Hij deed zijn best om voor al zijn dorpsbewoners het allerbeste brood van de wereld te bakken. Hij was apetrots op zijn bakkerij. Hij werkte van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Soms zelfs in het weekend als er iets bijzonders in het dorp te doen was. Als de fanfare optrad of met de jaarlijkse kermisweek. Dan wilden heel veel bezoekers ook van buiten het dorp, zijn lekkere krentenbollen en broodjes kopen. Hij stak er dan extra tijd in en deed zijn uiterste best. Dat hij zoveel tevreden klanten had maakte van hem een baasje met tomeloze energie. Het motiveerde hem om met nieuwe producten te komen zoals lekkere abrikozentaartjes en luxebroodjes. Maar specialist was en bleef hij vooral in het bakken van zijn overheerlijke krentenbollen.

Hij investeerde in zijn winkel. Zorgde voor een toegankelijk winkelpand. Juist voor zijn oudere klanten die met een rollator of scootmobiel bij hem hun brood en krentenbollen wilden kopen. Daarnaast had hij een vlijtige bakkersknecht en een vriendelijk winkelmeisje aangetrokken. Zo kon hij meer tijd en aandacht besteden aan de bereiding van nog gezondere en voedzamere bakkerswaar. Op bakkerscursussen had hij uitheemse broodsoorten leren bakken, zoals Turks brood voor de familie Erdogan, Surinaamse broodjes Kouseband voor het gezin Pengel. En rond het Pesachfeest maakte hij kosjere Joodse matses voor de heer en mevrouw Cohen. Zij waren allemaal al vele jaren klant bij hem waardoor hij goed op de hoogte was van al hun persoonlijke wensen. Het gaf hem energie, werkplezier en een gevoel van ambachtelijke trots. En natuurlijk veel dankbare klanten.

Op een dag toen de zon achter donkere wolken verdwenen was, kwam er een stadse meneer het winkeltje van bakker Bruin binnenstappen. Het was direct duidelijk dat deze meneer niet om een zak krentenbollen kwam. Hij keek bakker Bruin streng aan en vertelde dat hij de boekhouding kwam inspecteren met alle kosten en inkomsten die bakker Bruin het voorbije jaar had gehad. Dat deed hij namens minister Flink van Broodzaken in Den Haag. Bakker Bruin had altijd begrepen dat minister Flink de minister van Geldzaken was maar dat werd met kracht weersproken.

De minister had besloten dat het voor de dorpsbewoners beter was als zij minder kwijt waren aan hun dagelijkse brood. Daarom wilde hij precies weten wat de omzet was van de bakkerswinkel en hoeveel bakker Bruin kwijt was om de bakkerij te runnen en zijn medewerkers te betalen. De hele middag en avond bleef de stadse meneer om al die boekhoudcijfertjes na te rekenen. Zelfs de boekhouder van bakker Bruin moest opdraven om uit te leggen hoeveel broodjes er gebakken konden worden uit één zak meel en hoeveel krenten en rozijnen er in een krentenbol zaten. De stadse meneer beweerde vervolgens dat er veel te veel krenten in het brood verwerkt werden. En rozijnen? Dat hoefde volgens hem al helemaal niet.

Daarna haalde hij een speciale kostencalculator uit zijn tas en ging uitrekenen hoeveel het brood en de krentenbollen eigenlijk zouden moeten kosten. Bakker Bruin merkte dat de stadse meneer niet geïnteresseerd was hoe hard hij gewerkt had om zijn heerlijke bakkerswaar elke dag versgebakken in de winkel te krijgen. Dat hij vaak niet op tijd was voor het avondeten omdat hij nog bezig was in de bakkerij. Dat hij regelmatig na 18.00 uur en bij nacht en ontij klanten hielp die extra brood wensten of die overdag geen tijd hadden gehad om in zijn winkeltjes langs te komen. Dat alles liet de stadse meneer volkomen koud.

Het ministerie van Broodzaken, zo maakte hij duidelijk, wilde een tweede bakkerswinkel in het dorp. Bakker Bruin had volgens hem nu een ‘monopoliepositie’ en dat zou de belangen van de dorpsbewoners schaden. Ook had hij vastgesteld dat alle bakkers in de omringende dorpen dezelfde, volgens hem te hoge, maximumprijzen rekenden voor hun bakkerswaar. Hij vermoedde onderlinge prijsafspraken en daar hielden ze op het ministerie niet van. De stadse meneer was die ochtend maar eens gaan praten met de slager uit het dorp en had hem verzocht óók krentenbollen te gaan verkopen, want zijn slagerij was toch óók een winkel?

Bakker Bruin begreep niets van het verhaal van de stadse meneer. De mensen uit het dorp waren immers allemaal zeer tevreden over zijn winkeltje en de kwaliteit van het brood. Maar op het ministerie zouden klachten zijn ontvangen over bakker Bruin. Wie over hem geklaagd had wilde de stadse meneer niet zeggen. Bakker Bruin vroeg zich af of het de grote broodfabriek uit de stad zou kunnen zijn. Die probeerde al jaren zonder succes zijn goedkope fabrieksbroodjes te verkopen via de snackbar in het dorp.

Hij schrok enorm toen hij hoorde welke verkoopprijzen de stadse meneer had uitgerekend. Om zijn winkeltje en zijn personeel te kunnen behouden zou hij veel meer broodjes en krentenbollen moeten gaan bakken en verkopen. Nog harder werken dan hij al deed. Bakker Bruin vertelde dat hij van het geld dat hij het jaar daarvoor extra verdiend had, een nieuwe bakoven en nieuwe deegrollers had aangeschaft. Hij had ook veel tijd gestoken in het bedenken en leren bereiden van nieuwe soorten luxebroodjes. De stadse meneer leek het allemaal niet te horen. Maar het allervervelendste wat bakker Bruin verteld werd was dat hij wel harder kon gaan werken maar dat dit niets op zou leveren. Het volgend jaar zou de prijs van zijn brood en krentenbollen gewoon opnieuw worden verlaagd als zou blijken dat hij meer verkocht en verdiend had dan de minister goed vond. De prijzen van bakker Bruin waren vergeleken met die van de grote broodfabriek in de stad en die bleken een stuk lager. Minister Flink wilde andere bakkers verplichten hun broodprijzen daaraan aan te passen, zo beweerde de stadse meneer.

En ook al zei bakker Bruin dat hij zijn eigen lekkere brood wilde blijven bakken en dat hij dat fabrieksbrood lang niet zo smakelijk vond, er werd niet naar hem geluisterd. De stadse meneer deed net alsof hij zelf bakker was en precies wist hoe het leven van een bakker eruitzag en hoe een bakkerij gerund moest worden. Bakker Bruin zuchtte maar eens diep, maar veel hielp dat niet.

Toen de stadse meneer opstapte kondigde hij al vast aan dat bakker Bruin de komende tijd extra gecontroleerd zou worden om te zien of hij zijn prijzen al had aangepast. De Landelijke Bakkersvereniging was door minister Flink gevraagd speciale bijeenkomsten te organiseren om de bakkers te leren hoe zij het gewenste broodprijsbeleid van het ministerie van Broodzaken in al hun winkeltjes moesten doorvoeren. Hij keek de verbouwereerde bakker Bruin aan en gaf hem een hand. “Veel succes ermee, het gaat wel lukken! U bent immers ondernemer, ja toch?”

Bakker Bruin dacht diep na hoe hij en de andere leden van zijn bakkersgilde ook in de toekomst het beste brood van de wereld zouden kunnen blijven leveren. Hij wist het nog niet……………

hn

De winkeltjes van bakker Bruin en de andere leden van het bakkersgilde (2)

Opinie, vervolg op 29 maart 2011

Het vervolg op Bakker Bruin: Een aantal weken later bezocht de stadse meneer opnieuw de bakkerij van Bakker Bruin. “We hebben nu toch iets moois bedacht!” wist hij te vertellen.

Als uw klanten in de grote stad komen en daar hetzelfde overheerlijke brood willen kopen, dan stellen we de bakkers in de grote stad in staat om te kijken hoe u uw overheerlijke broodjes gebakken heeft en dan kunnen zij datzelfde product leveren. Het maakt niet uit in welke stad of dorp uw klant tijdelijk verblijft, want door het hele land kan elke bakker een kijkje nemen in uw bakkerskeuken.

Bakker Bruin keek enigszins verbaasd. Ja! zei de stadse meneer, daar kijk je van op hè? Het heeft ons heel wat gekost om dit voor elkaar te krijgen, maar dan heb je ook wat. Bakker Bruin, had zijn kennis wel gedeeld met de bakkersgilde in zijn omgeving. Want als hij op vakantie was, wisten de mensen precies waar ze moesten zijn voor hetzelfde broodrecept. Maar inkijk in zijn receptuur door het hele land? Daar had hij nog niet aan gedacht.

Wat waren de mensen in de stad toch knap. De stadse meneer wist te melden, dat Bakker Bruin zijn computer kon aansluiten op een landelijk netwerk en dat hij daarvoor een beloning zou krijgen. Tsja, dacht de bakker; dat is misschien zo gek nog niet, want mijn inkomsten lopen, ondanks mijn harde werken, flink terug en dan komt dit misschien wel goed uit. Hij begreep alleen niet zo goed of het wel vaak nodig was dat een bakkerij in de grote stad zijn recept zou opzoeken. Zo vaak leken de dorpsbewoners nu ook weer niet naar de grote stad te gaan.

De stadse meneer wist te vertellen dat, omgekeerd, Bakker Bruin ook de receptuur van alle andere bakkers kon inkijken, als er ooit klanten vanuit de grote stad bij hem brood kwamen halen, maar dat er strikte regels waren, om dat alleen te doen als het nodig was. Als hij erachter zou komen, dat Bakker Bruin onnodig ging snuffelen in andermans receptuur, zou hij daarvoor zwaar beboet worden. Bakker Bruin kon zich echter niet voor de geest halen, dat een klant van buiten het dorp tijdens de jaarlijkse kermisweek had aangegeven een stads broodje te willen bestellen. De stadse meneer gaf ook aan, erop toe te zien dat Bakker Bruin niet onverhoeds zijn aansluiting op de landelijke inkijk zou verbreken. In dat geval zou hij onverwijld zijn beloning moeten terugbetalen.

Dit alles bezwaarde het gemoed van de Bakker en hij voelde zich de laatste tijd al niet zo goed. Hij had last van zijn maag, kon de broodnodige slaap niet meer vatten, had meer hoofdpijn en de gezonde blos op zijn wangen was verdwenen. De bakker besloot zijn huisarts te bezoeken. Hij nam plaats in de wachtkamer en toen hij aan de beurt was, zag hij met enige verbazing de stadse meneer uit de spreekkamer van de huisarts komen. De stadse meneer leek hem niet op te merken. Bakker Bruin schrok enigszins bij het betreden van de spreekkamer. De huisarts leek zelf nog ongezonder uit te zien dan hij. “Er hangt een virus in de lucht” had de huisarts gezegd, en daar was “geen kruid tegen gewassen”.

hn