Selecteer een pagina

 

 

Morgen gaat de Eerste Kamer (EK) stemmen over drie nieuwe wetten aangaande onvrijwillig te geven hulp. De Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) uit 1994 wordt per 2020 vervangen door de Wet Zorg en dwang (Wzd) voor psychogeriatrische patiënten en verstandelijk gehandicapten, door de Wet Verplichte ggz (Wvggz) voor psychiatrische patiënten en al eerder gaat gelden de Wet forensische zorg voor justitieel gerelateerde zorg. Voor gedwongen zorg kent de Wvggz de weg via de rechter en werkt de Wzd via een stappenplan met een onafhankelijke toets door een Wzd-arts.

BOPZ en dementie

Van de specifieke aandoeningen gaat tot 2040 voor de samenleving dementie de grootste toename geven in ziektelast. Vrijheidsbeperkende middelen en maatregelen (VBM) voor deze patiënten kunnen nu alleen nog worden toegepast in instellingen met een BOPZ-aanmerking (vergunning).  Echter de Wzd gaat ook gelden in de thuissituatie. De BOPZ-arts wordt straks de Wzd-arts.

VBM

Onvrijwillige zorg kan bestaan uit het verplicht doorvoeren van medische controles, het toedienen van vocht, voeding en medicatie, het uitoefenen van toezicht op de patiënt, vrijheidsbeperking, onderzoek aan kleding of lichaam, het beperken van het recht op bezoek, mogelijkheid tot insluiting, het doorzoeken van de woonruimte op alcohol, drugs en medicijnen etc.

LHV/InEen

LHV en InEen hebben de Eerste Kamer medegedeeld dat patiënten die deze specialistische zorg thuis nodig hebben, onbedoeld onder de verantwoordelijkheid van de huisarts kunnen vallen. Met als argument dat er nu al een tekort is aan psychiaters, artsen verstandelijk gehandicapten (AVG) en specialisten ouderengeneeskunde (SO). Het ministerie moet dit gevaar afwenden in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), waarin de uitvoering van de nieuwe wetten wordt geregeld. Wie is er thuis verantwoordelijk? De minister bleef afgelopen week vaag: “Dat hangt er maar net van af. Als er een vorm van onvrijwillige zorg nodig is en een thuiszorgorganisatie wijkverpleegkundige zorg biedt, dan kan die dat wellicht zelf doen. De Wzd-arts zal dan overigens wel apart gerealiseerd moeten worden. Dan is weer de vraag of de organisatie dat ook wil en kan doen. Ook niet alle huisartsen zullen het overigens willen en kunnen doen, want het vereist wel dat je daadwerkelijk toezicht kunt houden en je je een inhoudelijk oordeel aanmatigt. Het is dus maar zeer de vraag. Het hangt heel erg af van de uitvoeringspraktijk. Ik kan er moeilijk een generiek antwoord op geven”.

SO/Verenso

De voorzitter van Verenso meldt dat vrijheidsbeperking een heftig middel is.  Dat vereist kennis en kunde van een Bopz-arts, een terzake deskundig multidisciplinair team en randvoorwaarden die de veiligheid van patiënten en omgeving waarborgen. En bij deze zorg zorgdragen dat VBM niet oneigenlijk of te lang worden ingezet. Citaat: “Hoe gaan we om met patiënten die thuis wonen? Verplaatsen we de ‘intensive care’ dan naar de thuissituatie? Dat doen we met de ‘intensive cure’ toch ook niet? Het verpleeghuis biedt, zeker daar waar het ingrijpende vrijheidsbeperking betreft, voorlopig de beste randvoorwaarden”

Aanpassingswet/AMvB

De minister heeft aangekondigd dat er per wet een Aanpassingswet komt. Waarbij aanvullende waarborgen die in AMvB’s zullen worden geregeld, met name gaan over het genoemde verschil tussen de setting binnen een accommodatie en de setting buiten een accommodatie. Op 4 februari 2018 is de consultatie-inbreng (citaat minister) “van de mensen die daar verstand van hebben in het land”. Een uitgelezen moment voor de vertegenwoordigers van de verenigingen en instellingen waar, hoe, wanneer, welke streep er in het zand moet worden getrokken bij de organisatie van het leveren van onvrijwillige hulp. Aan extramuralisering bij uitvoering van de Wzd zitten grenzen: niet alles kan thuis.